Schrijfster Jante Wortel: “Je wilt beter worden, maar er is ook een deel dat ziek wil blijven”

Jante Wortel over schaamte, herkenning en het lichaam als sleutel tot herstel

In een koffietentje in Arnhem ontmoet ik schrijfster Jante Wortel. Samen met Corinne Heyrman schreef ze Het ongemak van een lichaam, een indringende correspondentie over eetproblematiek. In dit gesprek vertelt ze openhartig over haar eigen ervaringen, de complexiteit van de ziekte en waarom herstel niet alleen in het hoofd zit, maar juist ook in het lichaam.

Interview

Hoe is het boek ontstaan?

“Corinne en ik kenden elkaar eigenlijk niet. We zaten wel bij hetzelfde agentschap en hebben allebei een achtergrond in schrijven of theater. Na het uitbrengen van onze debuutromans, die in hetzelfde jaar verschenen, kwamen we erachter dat we allebei een eetstoornisverleden hebben.

Tijdens het schrijven van mijn debuutroman vond ik het heel spannend om de eetstoornis als thema te gebruiken, omdat dat toen nog niet veel gebeurde. Corinne bleek hetzelfde gedaan te hebben. Ik merkte tijdens interviews dat het vaak over mijn persoonlijke verhaal ging, in plaats van alleen het verhaal van het personage. Dat werd erg gekoppeld aan mij als schrijver. Ik vroeg me af of Corinne hetzelfde ervaarde, en dat bleek zo te zijn. Ook kwamen we erachter dat we nog veel meer te zeggen hadden over die eetstoorniservaringen. Tijdens onze eerste ontmoeting ontstond het idee om daar iets mee te doen.”

“Ik was bang om weggezet te worden als die schrijver met een eetstoornisboek.”

Was het lastig om de eetstoornis zo’n prominente rol te geven? En zegt dat iets over de complexiteit van deze problematiek?

“Ja, ik denk het wel. Er bestaan veel vooroordelen over dit onderwerp. Ik was bang om weggezet te worden als die schrijver die een boek heeft geschreven over haar eetstoornis, en dat ik daardoor de interesse van lezers zou verliezen. Misschien is dat ook een vooroordeel van mezelf, maar ik dacht, mensen die hier niets van af weten zouden hier ook niet over willen lezen.

Daarnaast is het een persoonlijk verhaal dat iets over míj weggeeft. Uiteindelijk vond ik het juist mooi om dit wel te benoemen, omdat ik voelde dat ik iets over dit onderwerp te zeggen had.”

En heeft de samenwerking met Corinne hierin geholpen?

“Zeker. Ik voelde meteen, blijkbaar heb ik hier nóg meer over te vertellen. Mijn debuutroman Weerlicht vertelt vooral het perspectief van de patiënt en haar gezin. Maar tijdens het schrijven ontstond steeds vaker het verlangen om haar gedrag uit te leggen aan de lezer.

Gevoelens als schuld en schaamte dienden zich aan, waar ik eigenlijk iets mee wilde doen. In leesclubs kreeg ik achteraf vaak te horen dat dit juist herkenbare dingen waren, terwijl ik me daar eerder voor schaamde. Dat zette me aan het denken.”

“Veel mensen met een eetstoornis hebben het gevoel dat ze niet ‘ziek genoeg’ zijn.”

Was die herkenning een spiegel voor je?

“Ja. Tijdens mijn ziekte was ik bijvoorbeeld erg hard voor mezelf, en dus ook naar het personage in mijn boek, omdat ik deels mijn persoonlijke verhaal beschreef. Die realisaties kwamen eigenlijk pas tijdens de gesprekken die ik na afloop voerde.”

Voelde Het ongemak van een lichaam als een plek om hier dieper op in te gaan?

“Ja. In mijn debuutroman wilde ik vooral weergeven hoe het wás, zonder de context te beschrijven waardoor het kwam. Ik wilde de eetstoornis van het hoofdpersonage niet concreet benoemen.

Dit boek bood de mogelijkheid om verder te gaan, om niet alleen onze eigen situatie te beschrijven, maar ook een breder plaatje te laten zien. De urgente kant van deze problematiek aanstippen. Die verantwoordelijkheid voelde ik ook wel, zeker na de gesprekken die ontstonden na het publiceren van mijn debuut. Het is echt een groot maatschappelijk probleem.”

Is er iets tijdens het schrijven wat je heeft verrast, waardoor je anders naar eetproblematiek bent gaan kijken?

“Een van de dingen die ik ontdekte was een zin van Hadley Freeman, ‘The desire to look ill’. Dat raakte me heel erg, want ik herkende het zonder dat ik me daar bewust van was. Daarna dacht ik, dan is dit misschien wel iets wat bij het ziektebeeld hoort, terwijl ik me daar lange tijd voor schaamde. Dacht dat alleen ik dat had, die ‘desire to look ill’.”

“Je wilt beter worden, maar er is ook een deel dat ziek wil blijven.”

Waarom is herkenning zo belangrijk wanneer je hiermee worstelt?

“Ik ontdekte tijdens het schrijven en de gesprekken dat bijna iedereen die hiermee kampt het gevoel heeft niet écht patiënt te zijn. Dat had ik ook. Terwijl dit juist een uiting is van de ziekte. Het kan heel eenzaam voelen. Zelfs nu, twaalf jaar later, leef ik soms nog met onbewuste overtuigingen uit die tijd.”

Wat had je toen willen weten wat je nu wel weet?

“Dat soort gedachten, zoals ‘the desire to look ill’, hadden me geholpen milder naar mezelf te kijken. Dat dat er blijkbaar bijhoorde. Ook voor mijn omgeving had het verschil gemaakt. Als mijn vader had begrepen dat een deel van de ziekte er ‘ziekelijk’ uit willen zien is, had hij misschien beter begrepen waarom ik deed wat ik deed.”

Er is een ziek deel in je én je moet je blijven verklaren, dat lijkt bijna onmogelijk.

“Precies. Mijn vader dacht bijvoorbeeld, je weet toch dat je ziek bent en je wilt toch beter worden? Dan is één en één twee. Maar zo werkt het niet. Ik ben wel benieuwd hoe behandelaars hiermee omgaan, als iemand zegt, ik wil beter worden, maar ook ziek zijn.”

Waar zou jij de focus op leggen als behandelaar?

“Bij mij lag de focus destijds vooral op gedrag en eten, wat logisch is omdat het gevaarlijk was voor mijn gezondheid. Maar de oorzaak lag ook in mijn lage zelfbeeld. De vraag waar dat vandaan kwam. Ik was op zoek naar waardering, en vond dat niet in mijn omgeving, waardoor ik een andere manier zocht.

Het had geholpen als daar meer aandacht voor was geweest. Gesprekken over wat er onder het gedrag zit. Volgens mij gaat het over weerbaarheid, en het gebrek aan eigenwaarde. Daar mag wat mij betreft meer focus op liggen. Kijk voorbij de casus, naar de mens die erachter zit.”

“Herstel begint niet alleen in je hoofd, maar juist in je lichaam.”

Jante vertelt dat ze in therapie in de war raakte door het onderscheid tussen een ‘gezonde’ en ‘ongezonde’ versie van zichzelf.

Jante vertelt dat ze in therapie in de war raakte door het onderscheid tussen een ‘gezonde’ en ‘ongezonde’ versie van zichzelf.

“Mijn eetstoornis was niet goed voor mijn lichaam, maar het gaf me ook iets. Het voelde als een maatje, een vorm van waardering. Als je dat in een behandeling wegneemt, maak je iemand die al bang is nog banger. Dat zorgt voor verzet, en dat helpt de behandeling niet.”

Wat zou je nu anders doen als je opnieuw zou beginnen met therapie?

“Ik zou mijn lichaam meer betrekken. Ik volgde nog niet zo heel lang geleden een tijdje danstherapie en leerde daar veel van. In behandelingen wordt luisteren naar je lichaam vaak gekoppeld aan je hoofd, alsof je het cognitief moet oplossen. Maar het opbouwen van een goede verstandhouding met je lijf is essentieel. Dat geeft rust.

Dit was iets wat ik eerst dacht te vinden in mijn eetstoornis, maar nu vind ik dat in de verbinding met mijn lichaam. Dat had ik eerder willen ontdekken.”

Waarom is het belangrijk om het ‘ongemak’ van het lichaam te blijven benoemen?

“Je kunt niet weglopen voor je lichaam, je hoofd zit eraan vast. Ongemak mag er zijn. We proberen vaak dingen met ons hoofd weg te duwen, terwijl het lichaam heel goed weet wat het nodig heeft. Daar moeten we naar leren luisteren, ook als het niet is wat je zelf had bedacht.”

Wordt er soms te voorzichtig omgegaan met het lichaam in behandeling?

“Ja, dan wordt er eigenlijk besloten dat iemand dat niet zou kunnen. Dat je lichaam te ziek is om er verbinding mee te voelen. Terwijl dat niet waar is. Ook met een ziek lichaam kun je nog verbinding maken.

Ik zag zelf bijvoorbeeld heus wel dat mijn magere lichaam niet mooi was, daar ging het mij niet om. Het zorgde juist voor meer afwijzing. De kunst is om echt naar je lichaam te kijken en het goed te verzorgen.”

“Het lichaam kan veel meer aan dan we denken.”

“Toch snap ik die voorzichtigheid ook. Het gaat vaak over verantwoordelijkheid, wie is er verantwoordelijk als het misgaat? Maar ik weet inmiddels dat het lichaam veel kan hebben. Een beetje risico nemen mag soms.”

Herstel vraagt ook om eigen regie.

“Ja, die verantwoordelijkheid is belangrijk. Ik wilde tijdens mijn proces zelf keuzes blijven maken, het was mijn lijf. Tijdens de behandeling lever je al zoveel in. Herstel vraagt om een balans daarin.”

Wat betekent herstel voor jou?

“Het terugvinden van mijn identiteit. Ontdekken wie ik ben los van de eetstoornis. Ik vond mezelf terug in het schrijverschap, dat gaf me een andere vorm van waardering.

Ook hielp het om me te omringen met mensen die geen problemen hadden met eten. Op een gegeven moment dacht ik, als ik het leven wil ervaren zoals zij, moet ik dit aankijken.”

Heeft je eetstoornis daar ook een rol in gespeeld?

“Ja. Mensen vragen wel eens, zou je, als je terug de tijd in kon, dingen anders doen? Liever geen eetstoornis gehad hebben? En dan is het antwoord nee. Ondanks de heftigheid heeft het me namelijk ook iets gebracht. Ik was niet geworden wie ik nu ben zonder deze ervaring. Het heeft me verrijkt.”

Het heeft je weerbaarder gemaakt?

“Ja, vooral in het herkennen van mijn valkuilen. Ik weet nu beter hoe ik omga met moeilijke situaties. Ik moet me blijven overgeven aan het feit dat ik geen controle heb. En me daar continu weer toe verhouden.

Een behandelaar zei ooit, als ik terugkijk op de tijd dat ik jong en onzeker was, alleen maar bezig met ontevreden zijn, dan denk ik vaak: wat was ik eigenlijk een mooie jonge vrouw. En wat is het zonde dat ik dat toen niet zag. Dat kan ik nu zelf ook voelen. Ik wil leren waarderen wat er nú is.”

“Schoonheid zit niet in het ideale plaatje, maar in alles wat je bent.”

Is dat ook wat je anderen wil meegeven?

“Ja. Misschien klinkt het soms simpel, maar het helpt om af en toe uit te zoomen. De storm gaat ook weer voorbij. Schoonheid zit niet in een ideaalbeeld, maar in alles wat je bent. Ook in je valkuilen.

Soms zou ik mijn bestaan willen aantrekken als lichaam, maar dat kan niet. Wel kan ik me daar bewust van zijn.”

Waarom kozen jullie ervoor om ook hulpverleners en ervaringsdeskundigen te spreken?

“Voor een bredere vertegenwoordiging. We wilden meerdere perspectieven laten zien. Alle perspectieven, het liefst. Dat helpt ook om te begrijpen waarom de zorg is zoals die is. En waar het beter kan.”

Wat heb je van Corinne geleerd?

“Vooral herkenning. Dingen waarvan ik dacht dat ik de enige was, bleken gedeeld. En andersom. Door de openheid ontstond er, ondanks dat we elkaar eerst nog maar nauwelijks kenden, toch een vriendschap. Een soort verbondenheid. Dat vind ik heel bijzonder.”

Tot slot, wat wil je lezers meegeven?

“Dat er hoop is. Zoek elkaar op en praat erover, ook als het ongemakkelijk is. Het hoeft niet alleen. Heb vertrouwen in het proces, het mag stap voor stap.”

Heb jij een boek geschreven dat raakt aan thema’s als herstel of eetstoornissen en lijkt het je waardevol om jouw verhaal te delen? We gaan graag met je in gesprek. Neem gerust contact met ons op.

Geschreven door Jessica Kaasschieter